Gedicht Willem Jan Otten

MARCUS 5: 25-34

 

Genezen zal zij dromen van zijn oogopslag,

zoals hij zich omdraaide in de drom,

haar zocht en feilloos vond. Hij keek

alsof hij zijn ogen niet geloven kon,

kapot, alsof hij ergens aan bezweek.

 

Zij had zijn zoom gepakt, bang bang,

want tussen haar dijen de stinkende lap.

Alle mannen deinsden om haar terug.

 

Er ging nog nooit een minnaar in haar op

toch droomt zij het: zo kijkt een man

die zich bekend heeft en dan uitgestort.

Gestelpt brengt zij haar handpalm naar

haar neus en ruikt de leeggebloede god.

                          

Willem Jan Otten