Doorns Evangelie hoofdstuk 15

Twee vrouwen

Marcus 5:21-43

 

I

Er zijn twee vrouwen. De een bloedt al twaalf jaar. Ze is onvruchtbaar. In de ogen van velen is ze geen vrouw meer. Het bloeden maakt haar onrein. Onaanraakbaar. Een uitgestotene. Ze hoort zich niet op straat te begeven, tussen de menigte. Ze hoort Jezus niet aan te raken, omdat ze hem daarmee ook onrein maakt. Alsof ongeluk besmettelijk is.

Ze gaat tegen de geboden in, ze doet wat niet hoort - en haar geloof redt haar. Haar geloof in de God van het leven - van leven sterker dan regels en geboden die mensen klein willen houden.

Als ze Jezus aanraakt, springt er een vonk over. Zij besmet hem niet, hij ‘besmet’ haar.

Zijn kracht, zijn liefde, is - God dank! - aanstekelijker dan haar leed.

De ander is twaalf jaar oud. Ze staat op de grens van volwassenheid, maar kan - of mag? - die grens niet over gaan. Zij is nog geen vrouw. Ze bloedt nog niet. Haar vader Jaïrus houdt haar veilig opgeborgen op haar kamertje. Ze mocht eens besmet raken door de boze buitenwereld. Jaïrus waakt over haar, zijn schatje, zijn kostbaarste bezit. Haar leven lijkt al afgelopen nog voor het begonnen is. Ze leeft in een sluimertoestand, in een droomwereld.

Als een prins op een wit paard komt Jezus haar wakker kussen. Hij raakt haar aan, besmet haar met zijn levenslust. Hij trekt haar overeind, zet haar op haar eigen benen.

Ze is niet langer papa’s kleine meid.

II

Is er zoiets als het ‘typisch vrouwelijke’? Is er iets wat een vrouw tot vrouw maakt? Of is dat juist het probleem, zoals Simone de Beauvoir schreef, dat vrouwen niet als vrouw worden geboren, maar tot vrouw worden gemaakt? Wat ‘vrouwelijk’ is, is niet van nature vrouwelijk, maar hangt af van de manier waarop naar vrouwen wordt gekeken.

Beide vrouwen in dit verhaal passen niet in het hokje dat voor vrouwen is gemaakt - door mannen, maar soms ook door vrouwen zelf.

Daarom worden ze buitengesloten. De bloedvloeiende vrouw om de gemeenschap tegen haar te beschermen. De dochter van Jaïrus om haar zelf te beschermen tegen de gemeenschap. Al te vrouwvriendelijk is die gemeenschap blijkbaar niet. Ze weert vrouwen die geen vrouw meer zijn en is blijkbaar bedreigend voor meisjes die nog geen vrouw zijn. 

Wat is dat toch, dat er met vrouwen in de bijbel altijd iets aan de hand is? Zelden lijken ze in het hokje ‘fatsoenlijke vrouw’ te passen.

Je kunt dit verhaal zo lezen, dat Jezus beide vrouwen (weer) tot vrouw maakt. Eenmaal genezen, kunnen ze hun plaats als vrouw in de gemeenschap innemen. Beiden zijn weer huwbaar.

Maar Jezus doet meer. Er is ook die aanraking - de bloedvloeiende vrouw raakt Jezus aan, Jezus raakt het meisje aan. Een aanraking die een onzichtbare grens passeert, een verbinding legt, iets over laat stromen, in elkaar doet vloeien.

Maakt deze aanraking hen tot vrouw? Of bevestigt Jezus hiermee hun mens-zijn, hun beeld van God-zijn, als vrouw?

 

René van der Rijst