Lezing Jean-Jacques Suurmond op 25 januari 2013

HET LEF VAN DE PREDIKANT

Laat ik beginnen met jullie allen, inclusief mijzelf, te feliciteren met de vrolijke gekte van het ambt. In de wereld, maar niet van de wereld. Het ambt geeft lef, ruimte ook om te spelen, om creatief te zijn en – niet te versmaden – om ’s ochtends rustig wakker te worden met een krantje en croissantje terwijl je gemeenteleden om half zeven bij het bushokje staan te kleumen.

Het is bijna 35 jaar geleden dat ik als predikant in het ambt werd bevestigd. Mijn reis is gegaan van een mega pinksterkerk in Los Angeles naar een PKN dorpsgemeente in de Overbetuwe; van interkerkelijk werk in de charismatische beweging tot geestelijk verzorger in een zorgcentrum. Daarnaast had ik tien jaar lang een praktijk voor psychotherapie - een effectieve manier om  buitenkerkelijken door de smalle poort van je studeerkamer te krijgen – en ben ik werkzaam als supervisor en publicist. Mijn column in ‘misschien wel de beste krant van Europa’ zie ik als een soort openluchtkansel. Zoals elke predikant, heb ik overigens niet zo heel veel te melden, ik heb het eigenlijk steeds maar over één ding.

Ik dacht een aantal aspecten van het ambt naar voren te halen die ik als belangrijk ben gaan zien. Misschien dat dit helpt om je eigen ambtsbeleving duidelijker te onderscheiden. Zo merk ik bv. dat ik in bepaalde opzichten klassieker ben geworden, misschien staat er zelfs wel een dominee 0.0 voor jullie.

Achtereenvolgens zal ik stilstaan bij het ambt, roeping en - hier zal ik de meeste aandacht aan geven - de invulling van het predikantschap.

 

1. AMBT

In onze seculiere samenleving leeft nog wel de idee dat iemand met een ambt de publieke zaak dient. Denk aan het burgermeestersambt. Wel is het besef verflauwd dat ook de predikant een ambtsdrager is – zijn of haar werk wordt vooral als binnenkerkelijk gezien, waarbij velen geen flauw idee hebben van wat zich achter de kerkmuren afspeelt. En soms is dat maar goed ook.

Tegelijk kunnen mensen gefascineerd zijn als ze horen dat je predikant bent. Het is zo anders dan winkelier of ingenieur. Wij hebben het op één na oudste beroep ter wereld. Het ambt resoneert met archetypische zaken als ziel en zingeving, heil en genezing, het hogere en de dood – kortom met alles wat er werkelijk toe doet in een mensenleven, maar in onze door nut en efficiency behekste maatschappij ondergesneeuwd raakt.

Als iemand in de vliegtuigstoel naast je erachter komt dat je predikant bent, gaat die vaak direct anders met je om, de gesprekken worden anders, krijgen een vreemde intimiteit. Het ambt creëert een uniek veld waardoor onbekenden zomaar hun hart bij je uit kunnen storten. Of  gaan schelden op het leven in het algemeen en op de kerk in het bijzonder. Dat laatste is trouwens een belangrijk maar ondergewaardeerd aspect. Naast volk van God en lichaam van Christus, is de kerk ook pispaaltje.

Predikant is geen gewoon beroep. Gemeenteleden voelen dat feilloos aan. Al worden ze trouw door contactpersonen bezocht, een bezoekje van de predikant is  van een andere orde, ook al gooit die zijn kopje koffie om en gaat na afloop weg met het idee dat hij maar wat gestotterd heeft. ‘De dominee is geweest’ – dat is het ambt. Ambtstheologisch gezien heeft Christus bij hen aangebeld. Niet in de zin natuurlijk dat alleen de predikant een godenzoon of -dochter zou zijn maar doordat hij, door zijn ambt, het besef aanwakkert dat zij ook kinderen van God zijn. Geen enkele andere hulpverlener krijgt dat voor elkaar.

Sommige predikanten begrijpen dat niet. Ze hebben geen gevoel voor het heilige, het aparte van het ambt. Ze willen ‘gewoon doen’, zoveel mogelijk zijn als hun gemeenteleden. In de kerkdienst staan ze in een grijs colbertje of onwaarschijnlijk mantelpakje voor de gemeente die ze toespreken met ‘beste mensen’ of, nog erger: ‘lieve mensen’. Alsof je bij de dominee op de thee komt en niet in vreze en beven tot de berg Sinaï nadert, in de hoop er zonder kleerscheuren vanaf te komen.

Het besef dat je ambtsdrager bent geeft lef. Het ambt geeft je het mandaat om, als Jezus in zijn gelijkenissen, de vanzelfsprekende maatschappelijke gang van zaken pootje te lichten. Dat wordt uitgedrukt in de toga – niet die zwarte leraarslap van Severus Sneep, maar de liturgische toga als paaskleed, doopkleed. Een kleed dat de vreemde, nieuwe wereld van God symboliseert en dat je nergens anders ziet dan in de kerkdienst.

Het ambt kan je op onverwachte plaatsen brengen. Tegenwoordig ga ik regelmatig voor in een zorgcentrum waar de zaal door de week voor andere, nuttige zaken wordt gebruikt. Ik kom binnen, leg mijn koffertje op een bureau met ernstige formulieren, gele post-it briefjes op de computer geplakt en een foto van een meisje met een tennisracket – tot zover niks aan de hand. Maar dan trek ik mijn toga aan, en ziedaar: het is een kerkdienst. Er opent zich een ruimte tussen de muren van werk, nut en het rationele enerzijds, en ontspanning, amusement en het emotionele anderzijds – op weg naar het beloofde land.

Wees dus zichtbaar. Een medisch specialist herken je aan zijn witte jas en dat creëert onmiddellijk een eigen veld waar mensen zich naar richten. Zelf doe ik voor ambtelijke handelingen buiten de kerkdienst net als de anglicanen een klerikaal hemd met wit boordje aan – nog gekregen van mijn PKN gemeente in Vlaardingen. Dementerende ouderen herkennen me meteen en op een uitvaart weten bezoekers me onmiddellijk te vinden. Erg praktisch, terwijl het symboliseert dat ik daar niet voor mezelf sta, anders dan de uitvaartondernemer die aan het eind van de dag geen psalmen wil zingen, maar de kassa wil horen  rinkelen. Dat boordje zegt dat ik aangelijnd ben met de kerk, uiteindelijk met God.

Het ambt komt van de andere kant. Een ambt neem je niet maar ontvang je. Voor protestanten mag het dogma van de apostolische successie een roomse estafetteloop lijken – waarin het stokje van het ambt via Petrus en de bisschop wordt doorgegeven, maar er zit wel een spirituele wijsheid in. Namelijk dat wij het ambt niet zelf ophoesten maar dat het van de overzij komt – dat het uiteindelijk Christus zelf is die, wonder boven wonder, zich in de ambtsdrager manifesteert die zich vanochtend ontroerend bij het scheren heeft gesneden, of bij wie een veeg lippenstift op de tanden zit.

 

2. ROEPING

Wat is roeping, hoe komt een mens erbij om het ambt te begeren, en niet een nieuwe audi? Dat, daar moeten we het over eens zijn, is een mysterie. Het staat haaks op de Darwiniaanse default van onze natuur die ons bovenop de apenrots wil hebben. Vroeger leverde het predikantschap nog aanzien op – deftig bridgen met de notaris en burgemeester – en een monumentale pastorie waarin je voetstappen zo lekker galmen. Toen kon het nog wel eens gebeuren dat iemand  predikant werd zonder dat hij daartoe geroepen was. Vandaag zijn al die benefits grotendeels verdwenen. Wie vandaag predikant wordt is of van lotje getikt, of van God getikt – waarbij het verschil lang niet altijd duidelijk is.

Geroepen worden is dat signaal van de andere kant waardoor je iets vreemds ontvangt, iets waar je zelf niet opgekomen zou zijn. Dat blijkt wanneer je preekvoorbereiding weer eens niet lukt, of je hebt een aanvaring met de kerkenraad gehad, zodat je de vacaturepagina’s voor hogeropgeleiden maar eens opslaat. Wat wordt daar gevraagd? ‘professionele no-nonsense mentaliteit; commercieel ingesteld en uitblinkend in klantspecifieke oplossingen.’ Hee, denk je dan, ik ben als predikant toch wel met iets heel anders bezig.

Elke roeping volgt ‘de grammatica van de ziel’, zoals Rosenstock-Huessy het noemt. Allereerst weten we ons aangesproken als een ‘jij’. De imperatief staat voorop: jij wordt predikant. Roeping heeft te maken met de authentieke richting van ons leven – van mijn leven. Niet de verwachtingen van je omgeving of wat voor de hand ligt om te studeren geven de doorslag, maar datgene waar God van droomt voor ons leven. Dat geldt overigens voor alle beroepen, daar had Luther gelijk in. Geven we geen gehoor aan die roep, dan laden we existentiële schuld op ons. We hebben een onvervuld gevoel of het idee dat we niet deugen, ‘zondig’ zijn, ook al hinkelen we verder binnen de lijntjes. Vaak krijgen mensen pas later de moed (of de gelegenheid) om hun roeping te volgen. Laatst werkte ik mee aan een sollicitatieprocedure voor een nieuwe geestelijk verzorger. Onder de sollicitanten waren een voormalige business analist, een wiskundige en een antropoloog.

Doordat we in een roeping aangesproken worden als een ‘jij’ worden we ons meer bewust van onszelf, van ons ‘ik’: ‘hineni’- hier ben ik, ik geef antwoord, ik ga doen wat nodig is om predikant te worden. Vervolgens raken daarbij ook anderen betrokken: familie, vrienden, medestudenten, docenten en later een gemeente: de roeping verbreedt zich naar een ‘wij’. Tenslotte komt de wetenschappelijke fase waarin het resultaat wordt geëvalueerd en we worden geobjectiveerd als een ‘hij’ of ‘zij’: Hoe doet dominee Suurmond het? Moet hij niet hoognodig zijn Hebreeuws oppoetsen? Of loopt hij een beetje droog en kan hij beter nieuwe inspiratie opdoen in een klooster of bij een dag van Op Goed Gerucht?

 

3. INVULLING VAN HET PREDIKANTSCHAP

Vanouds is onze kernopdracht de zielzorg – de cura animarum. Dat werk blijft altijd nodig en actueel. De ziel was vorig jaar zelfs het thema van de maand van de filosofie. Daaruit bleek dat er een prettige verwarring heerst over de ziel. We hebben het dan ook over het ongrijpbare vermogen tot transcendentie. De ziel is waar God, in de woorden van Augustinus, ‘dieper is dan mijn diepste wezen en hoger dan mijn hoogste bereik’ (interior intimo meo et superior summo meo). De ziel is waar de dualiteit wordt opgeheven tussen man en vrouw, liefde en haat, goed en slecht, Dominee 2.0 en Op Goed Gerucht. De ziel is ahw. tussen die polen, ze is er de bron van en verenigt en overstijgt ze in verbondenheid met God. De ziel, kun je zeggen, is het kattenluikje naar de eeuwigheid – leven van ons leven, ook genoemd het koninkrijk van God.

Niet dat er iets mis is met dualiteit: die hoort eenvoudig bij deze schepping waarin de hemel gescheiden is van de aarde – en daarom de dag van de nacht, het water van het droge land, en Arie Boomsma van de EO. De moderne wetenschap is dol op dualiteit waardoor we mogen genieten van traag opgloeiende spaarlampen en industrieel vervaardigde pizza’s. Maar de pastor en theoloog heeft oog voor meer dan deze wereld, meer dan het gewone: hij of zij kijkt met de ogen van de ziel. Dan zie je die dans van dualiteiten als de scheppende rechter- en linkerhand van God, die zelf in het midden staat.

 

PASTORAAT

Een ambtsdrager is dus allereerst zielzorger – en vandaag is dat wellicht meer nodig dan ooit. We wrikken mensen uit hun gebrainwashte bestaan, waarin ze  met een doffe blik in de ogen door de koopgoot drommen. De secularisatie is niet in de eerste plaats een crisis van de kerk, maar van de samenleving. Die weet niet meer zo goed hoe je samen leeft. Alleen een besef van transcendentie, van de ziel, geeft verbondenheid met elkaar en bepaalt ons tegelijk bij onze grenzen, zodat we met verschillen kunnen omgaan. Liturgisch gezegd: ‘Hoewel velen, hebben we allen deel aan het ene brood’. Dat besef van transcendentie is verflauwd. Het resultaat is vijf kabinetten in tien jaar tijd en een enorme crisis veroorzaakt door wereldvreemde bankiers.

Wie goed luistert, zegt de Nobelprijswinnaar Tomas Tranströmer, een dichter met christelijk-mystieke trekken, hoort in onze maatschappij ‘de bonkende vuisten van de eeuwigheid’. De ziel zit beklemd onder eenzijdige  consumptiezucht en prestatiedwang.

Om die te bevrijden is niets zo relevant als de kerkelijke traditie. De ene algemene (katholieke) kerk bulkt van de wijsheid en spiritualiteit. Want wat doen we eigenlijk in prediking en pastoraat, behalve zorgen dat je hemd goed in je broek zit en er geen gemeentelid ter aarde valt zonder dat je ervan weet? Omdat het koninkrijk van God niet van deze wereld is, denkt een predikant fundamenteel paradoxaal. Dat brengt mensen dichter bij de ziel zodat je als pastor een ‘agent of change’ wordt.

Wat veel mensen vandaag in de kerk missen  - en bv. wel vinden op pijnlijke meditatiekrukjes of in dure zweethutten - is hulp bij hun persoonlijke, spirituele ontwikkeling. Iedere gelovige die terugkijkt, zal beamen dat hij of zij nu anders gelooft dan, zeg, tien jaar of langer geleden. Toch hebben protestanten traditioneel moeite met het begrip geloofsontwikkeling, omdat het werkheiligheid lijkt in te houden. Alsof je door extra hard je best te doen, punten zou kunnen scoren bij de Allerhoogste.

Maar iemand die werkelijk een geloofsontwikkeling doormaakt, doet juist steeds minder zijn best. Hij werkt steeds minder en God werkt steeds meer in zijn leven. Zo iemand wordt één, een man of vrouw uit één stuk: hij is volgens de Bergrede ‘tam’ (volmaakt – niet in de zin van perfectionisme natuurlijk, maar vol van God gemaakt) – de zon van je glimlach gaat op over zowel kwaden als goeden, evenals de regen van je toorn. We verdelen de wereld niet meer in een dualiteit van goed of slecht, gelovig of ongelovig. Je leeft vanuit de ziel die de tegengestelden voorbrengt en overstijgt. Dat scheelt een hoop energie die gebruikt kan wordt om de wereld beter te maken. Niet omdat we dat zouden moeten, het gaat onzelfbewust, je staat er zelf nauwelijks bij stil. Je linkerhand weet niet wat de rechter doet – je handelt onbezorgd als de vogels en de lelies. Weinig mensen kregen zoveel voor elkaar als Florence Nightingale, grondlegger van de verzorgingsstaat. Werk doen dat je bezielt, waarin je helemaal opgaat vond zij de beste spirituele oefening. Dan kiert dat kattenluikje naar de eeuwigheid en verliezen we onszelf zodat we ons leven nieuw terug ontvangen. En de kwaliteit van ons werk gaat met sprongen vooruit.

Door de verkondiging van Jezus loopt één grote, rode lijn. Hij verrast mensen onophoudelijk met de tegenpool van wat zij denken dat waar en juist is. In zijn gelijkenissen is niet alleen de jonge wildebras de verloren zoon, maar ook zijn oudste broer, een brave Hendrik. Niet de joodse priester of leviet is een barmhartige naaste, maar de ketterse Samaritaan. Niet de vrome farizeeër wordt gerechtvaardigd, maar de morsige tollenaar. En niet alleen de overspelige vrouw zou gestenigd moeten worden, maar evengoed de moraalridders die haar veroordelen.

In zijn paradoxale verkondiging wrikt Jezus als een nar mensen los van hun overzichtelijke standpunten betreffende goed en kwaad, vroom en zondig,  waarin ze vastzitten en stelt hen in staat de zielengrond tussen die polen te betreden. Deze is zelf niet waarneembaar, niet-iets. Dan kan mensen een licht opgaan. Of God. Daarom is een zielzorger ten diepste een dominee 0.0. Het goede gerucht waait tussen de polen. We verkondigen niet zozeer dit en ook niet zozeer dat, maar laten dat luikje naar de eeuwigheid kieren. Dan raken mensen bezield.

Sinds de middeleeuwse wending naar het nominalisme, wordt God op afstand gezet en zitten mensen opgesloten in de betekenis die zij zelf aan de werkelijkheid geven. (De jonge Britse theologische beweging Radical Orthodoxy geeft aan deze wending terecht veel aandacht). De wereld is niet meer bij voorbaat zwanger van God, waarvan we de sporen om ons heen alleen maar hoeven te ontdekken. Nee, we maken de wereld zelf zinvol door daar etiketten op te plakken: dit is goed, dat is slecht; dit is van God en dat niet. Maar de goddelijke werkelijkheid kan niet in een eenzijdig beeld of begrip gevangen worden. God overstijgt de dualiteit in een ongrijpbare, polaire dynamiek, de creatieve beweging van de Geest tussen de standpunten, tussen de polen in.

Gewoonlijk vereenzelvigen we ons met een pool: bv. ik ben goed, niet slecht; of: ik ben zachtmoedig, niet agressief, of: God is almachtig, niet zwak. Zo omgaan met de werkelijkheid geeft wel een overzichtelijk, comfortabel gevoel maar doet geen recht aan de realiteit. Identificeren we ons met één pool, dan trekken we het leven scheef, naar één kant. Dat leidt tot een impasse, tot onvruchtbaarheid. De creatieve spanning verdwijnt.

In mijn supervisie kom ik ze regelmatig tegen: predikanten, psychotherapeuten of  kunstenaars die een vast beeld van zichzelf, van hun werk of van God hebben. Ze leven in een universum vol etiketten. Daardoor kwijnt hun ziel. Ze praten lusteloos over hun bezigheden, missen creativiteit, hebben nergens zin meer in. Voor vruchtbaarheid heb je altijd twee polen nodig. Het oerbeeld is de zwangerschap, waar man én vrouw aan bijdragen – met de nodige bezieling, opwinding.

Een predikant is niet van deze wereld, in de zin dat hij of zij zich niet identificeert met een van de polen in de vele dualiteiten. Een ambtsdrager denkt net als Jezus paradoxaal, zoekt altijd de andere pool. Maar het gaat ook niet om die tegenpool: het gaat om de beweging daartussen, dan wordt het spannend. In Vlaardingen was een collega die in een auto reed waarop in grote letters stond  ‘Stem Groen Links’. Dat was de tegenpool van de situatie van luchtvervuiling daar. Mensen kwamen in beweging maar het gaat uiteindelijk niet om Groen Links. Zoals het in de parabel van de verloren zoon niet gaat om het jonge feestbeest en ook niet om de oudste zoon, maar om de vader die tussen hen in staat en van beiden de oorsprong is.

Dat heeft Luther met zijn differentiedenken toch beter begrepen dan Calvijn die in zijn Institutie een greep doet naar eenheid, naar totaliteit. Luther is veel meer geïnteresseerd in het verschil. Hij is geen systeembouwer maar meer een pamflettist en staat daarmee zowel dichtbij het Evangelie als bij het postmoderne denken van onze tijd.

Vaak worden we er als pastor bijgeroepen wanneer er een crisis is: bv. een scheiding of sterfgeval. Elke crisis loutert van de comfortabele pool waarin iemand kan zitten: ik heb mijn leventje op orde, mijn partner is trouw, mijn kind is gezond. Daarom is elke crisis een pastorale kans. Hulpverleners als artsen of therapeuten streven naar herstel van de oude situatie, naar de gezondheid zoals die vroeger was. Maar een pastor is niet geïnteresseerd in het oude, die ziet in elke crisis de belofte van iets nieuws. Losgeslagen van hun vertrouwde pool, kunnen mensen dichter bij de ziel komen, waar God beweegt. Na een crisis – maar daar is vaak wel pastorale hulp bij nodig – gaan mensen hun leven dan ook vaak als rijker en dieper ervaren dan ooit. Zoals gezang 447 zingt: ‘Uit grondeloze diepten put God licht, en vreugde uit pijn’.

Neem bijvoorbeeld een getrouwde man die verliefd wordt op een andere vrouw. Komt in de beste gemeenten voor. Vaak denken mensen dat ze moeten kiezen: ofwel alle contact met de nieuwe lief verbreken of je boeltje pakken en bij haar intrekken. Een keuze uit angst of uit hartstocht. Wie paradoxaal denkt, echter, kiest niet maar houdt de spanning – die in het begin als verscheurdheid voelt – uit tussen je liefde voor je huidige partner en de nieuwe. Dan gaat vroeg of laat dat luikje naar de eeuwigheid kieren. Je gaat liefhebben met een universele liefde – de liefde van God zelf – en dan vind je voor elke relatie wel een vorm die daarbij past.

Bezield leven houdt dus in dat mensen steeds weer hun identificaties met vertrouwde polen loslaten. Je morrelt aan de vaste beelden, ook godsbeelden, waar mensen vaak aan lijden. Zelf doe ik dat graag in mijn columns. Soms roept  dat protest op, want ach, sommige beelden zijn zo dierbaar. Meestal echter reageren lezers verrast en raken geïnspireerd. Want zonder het te beseffen geloven veel mensen niet zozeer in God; ze geloven vooral in hun geloof, in een theologische constructie, in een religieus standpunt. Als pastor helpen we hen om bij de zielengrond tussen de polen te komen: God is niet alleen dit, God is ook niet alleen dat. Of: ik ben niet alleen gelovig, ik ben ook niet alleen ongelovig. Dan zeg je eenvoudig, in naam van God: ik ben. Je bent vrij en staat elastisch tussen de polen in, zodat je open en creatief kunt reageren. Dan kunnen we in de ene concrete situatie bijvoorbeeld streng zijn als dat nodig is en mild in de andere, in de ene politiek links en in de andere warempel rechts.

Als het om godskennis gaat, halen de grote mystici er altijd de pool van het niet-weten bij. Ze hebben het over een niet-wetend weten. Paulus schrijft veel over God en zegt tegelijk dat hij boven bidden en denken is. En als Augustinus in zijn Belijdenissen (1,4,4) roept: ‘Wat ben je dan, mijn God?’ beantwoordt hij zijn eigen vraag in paradoxen. ‘Jij zoekt terwijl jou niets ontbreekt; je hebt lief maar zonder hartstocht; je ben na-ijverig en toch tevreden; je voelt spijt zonder bedroefd te zijn; je bent toornig en blijft toch kalm.’

Ook de grote credo’s die aan de basis van de christelijke traditie staan zijn sterk paradoxaal. Neem Chalcedon: Jezus is ‘vere Deus et vere homo’, en die goddelijke en menselijke natuur zijn ‘onvermengd en ongescheiden’. Ons brein  kan dat niet bij elkaar denken en dat is precies het moment waarop we kunnen ontdekken dat we meer zijn dan ons brein. Door zulke paradoxen kan het luikje naar de eeuwigheid kieren zodat we God ontmoeten die boven bidden en denken is.

Maar als we ons niet langer met een pool identificeren, staan we dan nog wel ergens voor, worden we niet kleurloos? Het antwoord is dat we pas kleur krijgen als we bezield leven, tussen de polen in. Dan leven we vanuit God, de oorsprong die oorspronkelijk maakt. Neem het verhaal van de ex van Marc Dutroux, Michèle Martin. Ze is medeplichtig aan kindermoord en wordt door iedereen vanzelfsprekend veroordeeld als iemand die altijd in de gevangenis moet blijven. Gelukkig zijn er bezielde, originele nonnen die de andere pool opzoeken, die van vergeving, zodat er iets nieuws kon gebeuren: ondanks veel tegenstand verwelkomden ze haar in hun klooster. Alleen zo kan Martin dichter bij haar ziel komen, en veranderen. Een kerk die de zielzorg serieus neemt zal op duaal denkende dreuzels vaak dwaas overkomen.

Durf dus dwaas te zijn. Anders dan het ‘durf zelf te denken’ van Kant, is dat de verlichting van het geloof. Graag haal ik in dit verband de klassieker van  Georges Bernanos aan: ‘Dagboek van een dorpspastoor’. Hij vertelt over een jonge priester die blozend in zijn eerste parochie begint. Hij was een zegen in de mate dat hij in de ogen van zijn omgeving faalde. Hij deed het niet ‘goed’, in de zin dat hij niet aan de verwachtingen beantwoordde, en was juist daarom een uitstekende pastor die mensen bevrijdde van hun haat, leugen en zelfbedrog. 

Zijn originaliteit houdt in dat hij niet oordeelt, hoewel hij mensen op een bevrijdende manier heel direct de waarheid kan zeggen. Wie anderen oordeelt, gaat uit van een normatieve pool ‘Zo moet het’, wat het einde van alle zielzorg betekent. Waar iets moet, klapt het kattenluikje naar transcendentie dicht. Hoewel hij vaak aan zichzelf twijfelt - hij is een nogal tobberig type - blijft hij ook open en transparant, met een zekere onschuld. Hij blijft dicht bij zijn ziel zodat hij een goede zielzorger is.

 

PREDIKING

Een predikant is ‘dienaar van het Woord’, dat een paradoxaal woord is. God is de uiteindelijke werkelijkheid, the really real, maar onze woorden verwijzen niet zozeer naar de werkelijkheid, maar naar andere woorden. De mystici en de Franse filosofen van de ‘déconstruction’ reiken elkaar hier de hand (Derrida schreef een studie over Meister Eckhart). Zo ontleent bv. het woord ‘gelovig’ zijn betekenis niet zozeer aan de realiteit maar aan het tegenovergestelde woord ‘ongelovig’: wat is een gelovige? iemand die niet ongelovig is. Om bij de goddelijke werkelijkheid daartussen, daaronder en daarboven te komen moeten we uit onze taalspelletjes gewipt worden door het skandalon van de paradoxale verkondiging.

Dat houdt onder meer in dat we van tijd tot tijd de historisch-kritische methode van bijbeluitleg achter ons laten. Wie de Bijbel alleen wetenschappelijk leest en niet vooral spiritueel, mist het wezenlijke. Het is indrukwekkend hoe er op de leesroostergroep op internet gediscussieerd kan worden over de juiste betekenis van een bepaald woord. Maar daar gaat het niet om. De gemeente ligt niet wakker van de vraag wie de Jebusieten wel of niet waren. Ze willen voedsel voor de ziel. Waarheid in de prediking is geen historisch feit maar onthulling van de levende waarheid dat God  met ons hier en nu een weg gaat. De waarom?  roepende Job, de twijfelende Thomas die overal zijn vinger achter wil krijgen en de gemummificeerde Lazarus wandelen onder ons in de broeken en rokken van de gemeente, en daarbuiten. Het gaat niet om geschiedenis maar om gelijktijdigheid, om het met Kierkegaard te zeggen.

Er zijn preken die met een wetenschappelijk gezien verkeerde exegese toch een grote spirituele zeggingskracht hebben. In bv. de preek van Meister Eckhart ‘Jesus intravit’ over de vlijtige Marta en devote Maria, is niet Maria de ster van de show die ‘het beste deel heeft uitgekozen’ maar Marta. Als ik op een lezing deze preek aanhaal krijg ik steevast de vraag: ‘Maar Jezus stelt Maria toch als voorbeeld, niet Marta. Dat staat er toch duidelijk?’ Dan vertel ik dat reeds voor de oude rabbijnen en belangrijke kerkvaders de letterlijke lezing het minst belangrijk is. Het gaat om de levende spirituele waarheid die tussen de woorden verborgen ligt – en die kan soms haaks staan op wat exegetisch klopt.

De wetenschappelijke modus is een moderne vorm van magie – weliswaar evidence-based, wat ons veel praktisch nut heeft opgeleverd, maar waarin we evenzeer de werkelijkheid naar onze hand proberen te zetten als de oude  alchemisten. En zoals je toen zwarte magie had, hebben wij zwarte wetenschap die clusterbommen en atoomwapens brouwt.

Goede theologie is echter niet alleen een wetenschap maar ook een kunst. Ze wil niet alleen begrijpen, maar verstaan; niet zozeer informeren maar vormen. Theologie is niet uit op kennis die macht is, maar op wijsheid die vrijheid geeft. De wetenschappelijke benadering is slechts één bepaalde ingang tot de werkelijkheid, één pool in ons kenvermogen, en haar totalitaire aanspraken zijn niet alleen eenzijdig maar desastreus voor alle theologische en religieuze studie, zoals bv. blijkt uit een recente discussie in het blad van de American Academy of Religon. De dwaasheid van het ambt houdt in dat we ons niet laten inlijven door dit moderne magische denken dat leeft van dualiteiten: dit is een goede uitleg en dat een slechte, dit heeft Jezus zelf gezegd en dat niet.

Een goede preek is een preek die je bij het uitgaan van de kerk niet kunt navertellen. Zo’n prediker verkondigt namelijk niet een bepaald standpunt. Dan gaan mensen op den duur terecht klagen dat de preek uit de tijd is, een monoloog waarbij ze niets terug kunnen zeggen. Een kerkdienst is geen debat en een preek is geen monoloog maar een theo-loog die het luikje naar de eeuwigheid opent door de ogen te openen voor de verrassende waarheid in de andere pool. Dan komen mensen in beweging en raken onuitsprekelijk bezield. 

 

LITURGIE

Tot slot noem ik de liturgie die mij na aan het hart ligt maar waarover ik hier kort moet zijn. Zoals ik al meermalen aangaf, heeft ons denken een polaire structuur. Onze hersenen kunnen alleen denken door onderscheid te maken, een modus van kennen die op de ziel stukloopt, want die overstijgt de dualiteit. Vandaar dat er wetenschappers zijn die even oprecht als naïef kunnen concluderen dat er geen ziel is en geen God.

Gelukkig is er de liturgie. Een predikant is ook een liturg die aandacht geeft aan riten en symbolen, aan kunst en muziek – allemaal dingen die niet te identificeren zijn met een of andere pool, maar die overstijgen. De liturgie is een goddelijke intrige die het voltage van de Geest verhoogt –  van het donker van het kyrie naar het licht van de paaskaars, van het water in het doopvont naar het brood op de tafel, van stilte naar muziek en van woord naar gebaar. In dat heilige spel van tegenpolen komen mensen dichter bij hun ziel en worden ze creatief en geïnspireerd. Van oudsher brengt de religieuze cultus dan ook cultuur voort. 

Het is niet toevallig dat mensen die op veilige afstand van de kerk blijven bij een belangrijke gebeurtenis, zoals een ernstige misdaad of een eclatante  voetbaloverwinning, teruggrijpen op rituelen. Denk aan stille tochten of het scanderen van leuzen in het stadion. Zodra het echt ergens over gaat, iets wat een persoonlijke mening of standpunt transcendeert, valt men terug op rituelen. Maar dat kun je ook omdraaien: rituelen zeggen ons dat het ergens over gaat – iets waar de logica niet bij kan. Net als een goede preek zijn ze performatief, ze bewerken iets bij de mensen. Ook verklaarde atheïsten als Alain de Botton moeten dat erkennen.

Liturgie is van oudsher het vakgebied van de voorganger en theoloog en ik ben van mening dat voor protestanten hier nog een wereld – beter gezegd: een hemel – te winnen is. Als ik op zondag vrij ben en het niet regent, ga ik naar een oud-katholieke viering. Waarom? Onder meer omdat ik daar kan knielen. Dat ritueel doet mij iets. Zou ik dat echter in een protestantse kerkdienst doen, dan zou de gemeente denken dat ik een epileptische aanval krijg.

Op zondag rusten wij van onze werken, zegt Luther, opdat God in ons kan gaan werken. Elke kerkdienst is ten diepste een mystieke weg die eindigt in de vereniging met Christus, in brood en wijn. Zoals boeken verkopen het werk van Bruna is, en wetten maken de taak van de Tweede Kamer, is het vieren van de liturgie de kerntaak van de kerk. Een zondagswerk dat de opgesloten ziel, de ‘bonkende vuisten van de eeuwigheid’ bevrijdt.

Ik vat samen: het ambt geeft lef om het vreemde, nieuwe rijk van God te vertegenwoordigen, een rijk dat de eenzame dualiteit van deze wereld overstijgt. Zelf zie ik de bevestiging in het ambt als een sacramenteel ritueel. Er wordt iets aan je leven toegevoegd - ex opere operatum – iets wat je van de andere kant geschonken wordt op grond van je roeping. God geeft wat hij vraagt. Dat kan  een heilige zorgeloosheid geven want het gaat niet zozeer om mijn talenten en prestaties. Die jonge pastoor van Bernanos voelde zich een onnutte dienstknecht – en dat is precies waarom hij zo’n effectieve ambtsdrager was.

Als zielzorger denkt een ambtsdrager, net als Jezus, fundamenteel paradoxaal. Je verkondigt niet zozeer een bepaald standpunt maar haalt de tegenpool naar voren zodat de gemeente in beweging komt en daarmee dichter bij de ziel – die diepte in elk mens waar God zelf beweegt en ongehoorde dingen doet. Dat is het wonder van het ambt: terwijl je wakker wordt met je krantje en croissantje doet God het eigenlijke werk.