maart 2016

Wilco van Wakeren is PKN-predikant met bijzondere opdracht en bestuurslid van Op Goed Gerucht

Jezelf de rug toekeren?

Terugdenkend aan de lezing van Anne Marijke Spijkerboer tijdens de laatste OGG-dag op 29 januari jl in Amersfoort, lichten er twee beelden in mij op.

Mijn diepste beeld, een crucifix, die ik heb overgehouden aan twee kind-verblijven in bleekneusjeshuizen ergens aan de zee. In de donkere nachten op de grote slaapzaal, waar “hij” zo om de minuut werd beschenen door plaatselijke vuurtoren. Hing “hij” daar zomaar eenzaam en verlaten aan de wand, iedere nacht weer. Dit beeld is nooit meer weggegaan en komt, in mijn religieuze-biografie, in verschillende vormen en verschijningen steeds weer aan mij terug. Dat spoel je met geen zee meer weg.

Het tweede beeld waar ik aan dacht, en kort wil beschouwen, is een bekend schilderij uit 1937 van René Magritte, waarin een man in een spiegel kijkt en zijn achterkant ziet, terwijl verder alles gespiegeld is. Te zien in Boijmans en van Beuningen!      

Mijn eerste reactie is: dit kan niet, want als je in de spiegel kijkt dan zie je de voorkant van je gezicht en niet je achterhoofd. Verrassing, verwarring en bewondering.

Hij kijkt naar zichzelf en ziet zijn eigen achterkant. De "verwarring, omdat het niet kan", hou ik uit en ik vraag me af wat het betekent. Ik deel in zijn onmacht. Kun je jezelf nog aankijken in de spiegel? En wat zie je dan? Wie ontmoet je dan werkelijk?

Misschien heeft deze man zichzelf de rug heeft toekeert. Of hij kan en wil zichzelf niet onder ogen komen. Wat gebeurt er dan met je als mens? Of wat ís er gebeurd met jou als mens!                                                                                                  

Herkenbaar is wel het gevoel als de ander mij zijn of haar rug toekeert, terwijl ik de bedoeling heb om deze mens aan te kijken, dan werkt dat heel vervreemdend. Ik zou mij miskend of afgewezen kunnen gaan voelen. Niet gekend en ont-kend. Men ziet mij dan niet staan.                                                                                                        

Maar wat gebeurt er als je jezelf de rug toekeert? Je ziet dan alleen nog je harde kant. De zachte voorkant met alle openingen, met ogen die "spiegels van de ziel" zijn, die zie ik niet meer. Ik ben dan het contact kwijtgeraakt met mijn kwetsbare kant waarmee ik met de buitenwereld communiceerde, met mijn openheid van ogen, oren, neus en mond en in plaats daarvan is er alleen nog maar geslotenheid en weerstand. De achterkant van mezelf.

Emmanuel Levinas schreef een boek met als titel "Het menselijk gelaat". De essentie van zijn boodschap in dat boek is dat wie de ander in het gelaat aanziet, de ander  ook werkelijk kan ontmoeten.

Hoe is het als je jezelf de rug toekeert? Kan dat? Kun je van jezelf vervreemden? Kun je je eigen zachte kant ontkennen? Dit roept de vraag op: wanneer keek je voor het laatst echt naar jezelf? Om met verwondering te bestuderen welk verhaal dat gezicht in de spiegel te vertellen heeft. En als je dat deed heb je dat beeldverhaal dan ook toegelaten?                                                                                                      

We kunnen ook, als predikanten en zielzorgers, als een ambtelijk tegenover, de andere mens de ander als gemeenschap, misschien wel in een preek, een spiegel, voorhouden. Bedenk hierbij wel: een spiegel zijn is ook beeldkunst, want voor je het weet ben je een lachspiegel aan het worden.

Ruimte voor (be)spiegelen en herscheppen geeft ook ruimte voor onzekerheid en zwakte, voor verborgen angst en lang vergeten tranen.                                             

Maar, om niet al te triest te eindigen: een rug kan ook mooi zijn en sterk, recht en fier. De kracht van een rechte rug is nodig om de zachte voorkant te laten bestaan. Het een kan niet zonder het ander.

Hoe komt het toch dat er zoveel rugklachten zijn? Zou de oorzaak kunnen liggen in de non-communicatie met de Ander (e kant).

 

Delen: